In de trein raast het leven aan me voorbij. De intercity rijdt hier niet verder. Iedereen moet eruit. Als je blijft zitten, word je weer via dezelfde weg teruggebracht. Ik denk eraan over te stappen op de Belgische trein, door te reizen naar Visé, Luik en Charleroi. De Belgische treinen zijn nostalgisch. Je waant je direct in het ‘buitenland’. Je wordt in het Frans aangesproken en de kaartjes worden nog met de hand geknipt. De airco werkt nooit en wanneer je je billen uit je broek zweet, kun je zelfstandig een raampje openzetten. Roken is verboden, maar de oude sigarettenbakjes zitten er nog in. Voor het geval dat roken weer wordt toegestaan in treinen?
Vier jaar geleden verhuisde ik voor één jaar naar Maastricht om te studeren aan de kunstacademie. Ik woon en studeer er nog steeds. Met mijn racefiets cross ik over de kleine paadjes van het Heuvelland die me brengen naar het rauwe bestaan van de Waalse steden. Sinds ik hier woon, is mijn liefde voor bruggen in een rap tempo gestegen. Ik houd van uitersten: de drang naar avontuur, naar plekken waar je ver kunt kijken, het gevoel opzoeken dat ik leef, afgewisseld door bossen en bergen, denken en schrijven. Ik schilder. Altijd in mijn blauw geruite blouse, die ik op een doodgewone maandag in de brandende zon uit een houten bak graaide op het Waterlooplein in Amsterdam.
De ruimten rondom laat ik los op mijn typemachines: ik heb er twee. De ene staat in mijn atelier, de andere in mijn appartement. Ik heb een grote liefde voor papier en stof. Deze materialen komen vaak terug in mijn werken.
Terwijl ik dit schrijf, kijk ik via de doorschijnende gordijnen naar buiten. Ik ruik mijn fruitschaal vol met rotte bananen; ik kan ze niet bijhouden. Ik laat me vallen op bed en staar naar de ornamenten in het plafond. In de hoek een bomvolle keuken. De afwas is voor later.
Op zondag gebeurt er nooit iets. De overburen zitten dan in groten getale te ontbijten. Ik kijk de croissant nog net niet van hun bord. Versgeperste sinaasappelsap, gebakken bacon met ei. Alles inclusief. Het water loopt me in de mond. Mijn blik gaat naar mijn eigen bord. Een bescheiden ontbijt: sneetje brood met een plakje kaas. Kon ik mezelf maar naar de overkant verplaatsen. Meerdere keren heb ik gekeken hoe duur het zou zijn om er te overnachten. Zou je makkelijk bij mij naar binnen kunnen kijken?
De overkant is verre van saai. Het is een stoet van komen en gaan. Gezinnen met kinderen, verliefde stelletjes, zakenreizigers met dikke auto’s, prostituees en vooral veel rolkoffers. De wieltjes van de rolkoffers drillen de reizigers klaar voor wat hen te wachten staat achter de witte muren. Er schijnt daar een oude vrouw te wonen. Toen ze haar huis uit moest omdat het gebouw verbouwd werd tot hotel, mocht ze er permanent blijven. Ik heb er weleens over nagedacht om plaats te nemen in de lobby. Een boek te lezen in de rode stoel. Ik heb het nooit gedaan.
Links, rechts, tegenover, achter – ik ben omringd door lege bedden. Door gebruikte lakens. Door kamers waarvan ik niet weet of ze zijn gevuld. Het anonieme bestaan in de stad. Ik mis ze. Ik ken ze niet.
De dichte deur, die donkere houten deur die me doet denken aan het interieur van oma. In het begin stelde ik me van alles voor; ik fantaseerde over wat er zich in die kamer afspeelde. Zeker weten deed ik het niet. Als ik je tegenkwam op de gang, was de deur altijd dicht. Ik voelde dat hij nooit op slot zat, ook niet als je weg was. Toch liep ik nooit zomaar je kamer binnen. Hoewel de gang geel zag van de rook, hoopte ik dat er zich achter die deur bloemetjes verscholen hielden. Soms hoorde ik je hardop zingen onder de douche, soms zag ik je dagen niet.
Toen ik hoorde dat twee wandelaars je boven op de berg hadden gevonden, kreeg ik de kamer te zien. De kamer was niet zoals ik het had bedacht. Geen bloemetjes. Het kwam meer in de buurt van de gele gloed die hing op de gang. Ik haalde je was beneden uit de wasmachine, vouwde die op en legde die in je kamer. Tussen de lege flessen alcohol en bedorven boodschappentassen zocht ik naar een brief. Ik vond niets. En in de weken die volgden ook niet. Alsof de waarde die ik door die bakstenen muur tussen ons in voelde, in rook was opgegaan. De deur liet ik openstaan, voor als je weer thuis zou komen.
Een nieuwe vloer werd gelegd, de muren met een nieuwe laag gewit. De deur bleef donkerbruin.