Interview door Jorne Vriens
We lopen over het ENCI-terrein. De voormalige cementfabriek aan de voet van de Sint-Pietersberg is in alle opzichten een uitzonderlijk gebied. Uit de berg is een hap genomen, een monumentale wond in het kalksteenmassief. In de voormalige kantoren en de oude timmerwerkplaats hebben kunstenaars ateliers
ingericht. Eliane Geurts heeft er haar werkplek. Ze werkt er en organiseert er tentoonstellingen. Een deel van het materiaal dat ze gebruikt, zoals sloophout, vindt ze hier. ‟Ik vond een gipsplaat in een container,” vertelt ze. ‟Daarvan heb ik de bovenste laag afgepeld, omdat daar een grillig patroon op was te zien. Dat materiaal en dat beeld zijn onderdeel geworden van een werk.” Terwijl we op het ENCI-terrein zijn, hebben we nog geen werk van haar gezien. Maar het blijkt tekenend dat het eerst over materiaal moet gaan. Ze vertelt dat
wanneer ze op een feestje wordt gevraagd wat ze maakt, als schilder, ze eerst over het materiaal begint. ‟Als ik vertel over een gevonden houten plankje, heb ik meteen een ingang. Waar vond ik het? Vanuit de materie gaat het verhaal dan vanzelf over de plek.”
Materiaal is voor Geurts een belangrijk vertrekpunt. Het gevonden object – een plank, een stuk gips, een lap stof – draagt al iets in zich: een geschiedenis, een gebruik en dus de plek waar het vandaan komt. Niet het idee is het vertrekpunt, maar de materie.
In haar tweede atelier, aan de andere kant van de Maas – stiller, meer teruggetrokken in een oude basisschool – laat ze haar werken zien. Op de vloer liggen lappen kaasdoek, een dunne, poreuze stof. Als ze aan het werk gaat, legt ze meerdere lagen doek over elkaar heen en schildert er vervolgens op met acryl of olieverf, waarbij de verf doordringt in de verschillende lagen. Een deel van de schildering wordt weer ongedaan gemaakt wanneer de kunstenaar een aantal van de bovenste lagen weghaalt, waardoor alleen de verf overblijft die zich een weg heeft weten te banen door meerdere lagen. Vaak zijn het zachte vormen die zichtbaar worden door de gelijkmatige verspreiding van de verf, als een herinnering die langzaam scherpstelt. In dit proces is het kaasdoek niet alleen een drager van verf, maar een medium dat door zijn gelaagdheid een schilderachtig effect creëert.
Schilderen lijkt voor Geurts dan ook een archeologische bezigheid, waarbij met het verwijderen van een laag oudere sporen zichtbaar worden. Een groot werk dat aan de muur hangt, bestond uit zes lagen doek. Er zijn er twee van over. ‟Die lagen die er geweest zijn, zie je niet meer. Maar ze zijn onderdeel van het werk.” Geurts schildert haar doeken vooral op de vloer. Pas later wordt het werk opgespannen. En daarna moet ze altijd even wachten. ‟Als ik er te dicht op zit, zie ik alleen de handelingen. Dan zie ik niet meer wat het werk is.”
‟Ik werk intuïtief,” zegt ze, ‟maar het is niet zo dat ik niet weet wat ik doe. De materialen botsen met elkaar, dat laat ik toe – maar ik stuur dat ook.” Achter elke keuze – welke laag kan weg worden gehaald, wat moet er worden toegevoegd– zit een beslissing die ze niet altijd in woorden kan vatten. Het maken kan voor Geurts soms een weerbarstig. Als het proces stokt, gaat ze naar buiten, om te wandelen door de stad, of ze stapt op de fiets om door de heuvels rondom Maastricht te rijden. Dat buiten zijn is geen pauze maar een verlengstuk van het atelier – een manier om via het lichaam en de omgeving weer contact te maken met wat er op haar ligt te wachten.
Het bevreemdt haar dat andere kunstenaars zich niet bewust zijn van de plek waar ze wonen en maken. ‟Ik vind het belangrijk om te weten waar ik me bevind. Dat ik de omgeving en de geschiedenis van de plek ken. Ik heb Aken, Luik en Charleroi allemaal gezien. Niet dat ik er één keer ben geweest – ik heb er echt dagen gefietst en gelopen. Als ik die rust en ruimte niet heb – die fysieke aanwezigheid in mijn omgeving – kan ik niets maken.” En toch zijn er geen dorpsgezichten te bekennen in haar doeken, geen kerktorens die de skylines van Luik of Aken bepalen, geen herkenbare marktkramen of andere figuratieve elementen. De werken zijn abstract, diffuus, je kunt ze hoogstens landschappelijk noemen. Want net zoals bij een landschap is de kijker onderdeel van de voorstelling. Misschien is dat wat haar doeken willen bereiken: je niet alleen laten kijken maar je in de vorm opnemen.
Dat het maken haar soms moeite kost, is overigens aan de werken niet te zien. Waar de abstract-expressionisten van de jaren vijftig hun turbulentie zichtbaar maakten in het spoor van de kwast – de schilder als performer van het eigen innerlijk, de kwaststreek als bewijs van gevoel – maakt Geurts een tegenstelde beweging. Haar worstelen verdwijnt in de lagen. Hoewel het maakproces emotioneel, langdurig en soms vermoeiend is, stralen de opgespannen doeken diepe kalmte uit.
De jury van de Sluijtersprijs vroeg haar naar welke kunstenaars ze graag kijkt. Ze zegt dat ze zich vooral laat inspireren door schrijvers. Nan Shepherd, die over de Schotse hooglanden schreef zonder ze te willen veroveren. En Georges Perec. Ze pakt er een stapel boeken bij – ze heeft alles van hem. Ze laat de bladzijden van ‘Ruimtes Rondom’ zien: het boek is opgebouwd uit steeds groter wordende plekken. ‟Het hoofdstuk over het bed gaat over hoeveel uren per week we horizontaal liggen. Dat zijn dingen die andere mensen niet opvallen, maar die we allemaal doen.” Ze citeert Perec niet letterlijk in haar werk, maar de gedachte zit erin: een plek eerlijk bekijken en ervaren. De dingen zien zoals ze zijn, zonder ze te belasten met wat ze moeten betekenen.
Veel recent afgestudeerde kunstenaars kiezen een afgebakend concept of een thema waaruit hun werk kan ontstaan. Geurts kiest bewust een andere route. ‟Ik ben ergens wel activistisch, maar zodra ik schilder, laat ik de woorden los. Dan ben ik bezig met een gevoel dat op een andere manier vertaald moet worden.” Haar schilderijen fungeren niet als pamfletten of als doorgeefluiken voor een statement. Ze beschouwt de rust en de onpeilbare ruimte in haar abstracte doeken juist als een eigen vorm van verzet; een tegenbeweging in een beeldcultuur die constant schreeuwt om onmiddellijke duiding. Uiteindelijk vraagt haar werk om dezelfde fysieke en mentale vertraging die zijzelf opzoekt op de hellingen rondom de stad. Geurts geeft de toeschouwer geen panklaar antwoord, maar een traag, sedimentair landschap om in te verdwalen.